Een melkveehouder ging in hoger beroep tegen een forse mestboete over 2018. De minister had aangenomen dat de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen én de fosfaatgebruiksnorm waren overschreden, mede op basis van een door de NVWA en vervolgens door de minister vastgestelde eindvoorraad dierlijke mest. Het praktische belang van deze uitspraak is duidelijk: als de eindvoorraad in het dossier niet zorgvuldig en controleerbaar is vastgesteld, kan dat rechtstreeks doorwerken in de berekening van de overschrijding en dus in de hoogte van de boete.

In deze zaak stond vast dat de AGL 2018 van het bedrijf niet klopte. Juist daarom moest zorgvuldig worden vastgesteld van welke eindvoorraad mocht worden uitgegaan. Het College oordeelt dat de minister daarvoor niet zonder meer mocht leunen op de door hemzelf vastgestelde voorraad van 4.750 ton drijfmest en 250 ton vaste mest. Doorslaggevend is dat de onderliggende basis voor die vaststelling onvoldoende stevig was. Het College wijst er onder meer op dat de minister veel gewicht had toegekend aan verklaringen die de landbouwer in januari 2020 tegenover de toezichthouder had afgelegd, terwijl voorafgaand aan die verhoren ten onrechte geen cautie was gegeven. Omdat het verhoor plaatsvond met het oog op een mogelijke bestraffende sanctie, mocht de minister die verklaringen niet zo gebruiken als hij had gedaan.

Daar komt bij dat ook inhoudelijk twijfel bleef bestaan over de betekenis van die verklaringen. Volgens het College sloten sommige antwoorden niet goed aan op de gestelde vragen en konden zij niet zonder meer worden gelezen als een bevestiging van de door de minister verdedigde voorraadcijfers. Ook het bemestingsplan van 2018 bood volgens het College geen beslissende steun voor de lezing van de minister. Tegen die achtergrond vond het College de door de veehouder gepresenteerde eindvoorraad van 5.501,4 ton, bestaande uit 500 ton vaste mest en 5.001,4 ton drijfmest, niet onaannemelijk. Dat is een wezenlijk oordeel, omdat daarmee het fundament onder de boeteberekening verschoof.

Na herberekening bleef nog wel een overschrijding van de gebruiksnorm dierlijke meststoffen over, maar niet van de fosfaatgebruiksnorm. De minister had, uitgaande van de door het College aanvaarde eindvoorraad, zelf berekend dat de overschrijding van de gebruiksnorm uitkwam op 7.942 kilogram stikstof. Dat leidde tot een basisboete van € 55.594. Vervolgens werd die boete eerst gematigd met € 2.500 wegens het tijdsverloop tussen het rapport van bevindingen en de boeteoplegging. Daarna volgde nog een extra vermindering van 10% wegens overschrijding van de redelijke termijn. Per saldo stelde het College de boete zelf vast op € 47.784,60.

De uitkomst is dus dubbel. Voor de veehouder pakt de uitspraak gunstig uit omdat de boete aanzienlijk lager uitvalt en de gestelde overtreding van de fosfaatgebruiksnorm van tafel gaat. Tegelijk laat het College zien dat een onjuiste of onvolledige administratie niet zonder gevolgen blijft: ook met de gunstiger eindvoorraad bleef een overtreding van de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen overeind. Door het als het gevolg hiervan intrekken van de derogatievergunning bleef toch nog sprake van een meer dan aanzienlijke bestuurlijke boete..

Voor de praktijk is de les helder. Wie discussie verwacht over gebruiksnormen, moet mestvoorraden en correcties daarop direct kunnen onderbouwen met consistente administratieve stukken. Daarnaast bevestigt deze uitspraak dat ook in het mestboeterecht scherp moet worden gelet op de bewijsvergaring door toezichthouders. Verklaringen die zonder cautie zijn verkregen in een bestraffende context, kunnen de bewijspositie van de minister aantasten. Voor bezwaar en beroep betekent dit dat niet alleen de rekensom, maar ook de herkomst en bruikbaarheid van de onderliggende gegevens kritisch moeten worden aangevallen.

Lees hier de volledige uitspraak