Een Belgische intermediair kreeg een bestuurlijke boete omdat zij mestmonsters niet uiterlijk binnen tien werkdagen na bemonstering aan een erkend laboratorium had toegezonden (art. 80 Uitvoeringsregeling Meststoffenwet). De minister legde aanvankelijk een boete op voor 96 overtredingen à € 100 en paste vanwege “herhaling” een matiging van 50% toe. In bezwaar werd het aantal overtredingen teruggebracht door een extra marge van vijf kalenderdagen bovenop de wettelijke termijn toe te passen, zodat nog 40 overtredingen resteerden en de boete uitkwam op € 2.000. De intermediair ging door, omdat zij de uitleg van “verzenden” en de (on)redelijkheid van de boete bestreed en meer matiging wilde.

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) zet in hoger beroep eerst de juridische kapstok scherp neer. De wettelijke norm is helder: binnen tien werkdagen moet het monster zijn toegezonden. De minister had in bezwaar een extra marge geïntroduceerd (vijf dagen “coulance”) om rekening te houden met de tijd die kan zitten tussen verzending en ontvangst. Het College kwalificeert zo’n uitbreiding bovenop de wettelijke termijn als tegenwettelijk, maar wel begunstigend beleid. Dat heeft een belangrijk gevolg voor de procespraktijk: als een bestuursorgaan een boete al verlaagt met begunstigend (maar contra legem) beleid, is er in deze constructie geen extra ruimte om daarbovenop nog eens via een evenredigheidstoets verdere verlaging af te dwingen, tenzij concrete omstandigheden worden aangevoerd waarom toepassing van dat begunstigende beleid in dit geval onevenredig uitpakt. Die concrete omstandigheden waren hier niet (voldoende) gesteld.

De inhoudelijke discussie over de verantwoordelijkheid bij het inzetten van een ophaalservice (en het moment waarop “verzenden” wordt aangenomen) blijft in deze uitspraak in de kern overeind: het is aan de intermediair om haar logistiek zo in te richten dat monsters tijdig bij het erkend laboratorium komen. Wie kiest voor een ophaalservice, neemt het risico dat overdracht niet tijdig gebeurt; dat risico schuift niet door naar het laboratorium of de minister. Daarmee blijft de norm vooral een organisatie- en dossiervraagstuk: je moet kunnen aantonen wanneer een monster feitelijk is overgedragen voor transport richting het laboratorium.

De uitkomst is voor de portemonnee wél relevant. De minister heeft in hoger beroep de boete verder gematigd. Het College vernietigt daarom de uitspraak van de rechtbank en stelt de boete zelf vast op € 400 (in plaats van € 2.000), met een proceskostenveroordeling en vergoeding van griffierecht.

Voor de praktijk is de les tweevoudig. Ten eerste: behandel de 10-werkdagentermijn als een harde compliance-termijn en richt je proces zó in dat je niet afhankelijk bent van “marges” of coulance; documenteer de overdrachtsmomenten van monsters strak (datum/tijd, wijze van overdracht, track-and-trace/scanmomenten). Ten tweede: als je in bezwaar of beroep alsnog een beroep wilt doen op evenredigheid, werkt dat alleen als je het concreet maakt met zaaksspecifieke omstandigheden en onderbouwing; algemeenheden (“geen effect op de mestketen”, “eerst waarschuwen”) gaan het verschil niet maken als de norm helder is en het bestuursorgaan al begunstigend beleid toepast.

Lees hier de volledige uitspraak