Een melkveehouderij is recent geconfronteerd met een aanzienlijke bestuurlijke boete wegens overtreding van de Meststoffenwet. Aanleiding was een controle van de NVWA naar de mestboekhouding over het jaar 2020. Daarbij werd vastgesteld dat de ondernemer de gebruiksnormen voor dierlijke mest en fosfaat had overschreden. Een cruciale factor in deze zaak was dat een deel van de opgegeven landbouwgrond achteraf niet voldeed aan het vereiste van ‘beschikkingsmacht’. Hierdoor bleek de beschikbare plaatsingsruimte te hoog te zijn berekend.

De Meststoffenwet stelt strikte voorwaarden aan het mogen meetellen van landbouwgrond bij de berekening van de gebruiksnormen. Alleen percelen waarover de ondernemer daadwerkelijk beschikkingsmacht heeft, mogen worden meegenomen. Beschikkingsmacht betekent dat de ondernemer feitelijk en juridisch in staat is om het gebruik van de grond te bepalen en daar mest op aan te wenden. Dit vergt meer dan alleen een administratieve opgave; doorslaggevend is of de ondernemer de grond daadwerkelijk kan benutten alsof het zijn eigen grond is.

Om beschikkingsmacht aan te tonen, moet doorgaans worden voldaan aan een aantal eisen. Zo moet sprake zijn van een rechtsgeldige titel, zoals eigendom, pacht of een andere gebruiksovereenkomst. Daarnaast moet de ondernemer de feitelijke zeggenschap hebben over het agrarisch gebruik van het perceel, inclusief de bemesting. Ook moet deze situatie gedurende het relevante kalenderjaar bestaan. Schriftelijke overeenkomsten, betalingsbewijzen en feitelijk gebruik (bijvoorbeeld via teelt of onderhoud) spelen hierbij een belangrijke rol als bewijs.

In deze zaak ging het mis omdat de ondernemer wel percelen had opgegeven, maar onvoldoende kon aantonen dat hij daar daadwerkelijk de beschikkingsmacht over had. Met name bij zogenoemde dijkpercelen bleek dat het gebruik niet exclusief bij de ondernemer lag of dat derden (bijvoorbeeld terreinbeheerders of andere gebruikers) feitelijke zeggenschap hadden of dermate beperkingen hadden opgelegd bij het gebruik van de percelen. Hierdoor kon de ondernemer niet zelfstandig bepalen of en hoe deze percelen werden bemest. De rechtbank oordeelde dan ook dat deze gronden niet mochten meetellen bij de berekening van de gebruiksnormen.

Het gevolg hiervan was aanzienlijk: doordat de percelen buiten beschouwing moesten blijven, viel de berekende gebruiksruimte lager uit en bleek sprake van overschrijding van de mestnormen. Op basis daarvan legde de minister een boete op van aanvankelijk ruim € 63.000, later gematigd tot circa € 42.000.

De rechtbank Midden-Nederland bevestigde dat de minister bevoegd was om een boete op te leggen. Daarbij benadrukte de rechtbank dat de verantwoordelijkheid voor een juiste perceelsopgave volledig bij de ondernemer ligt. Dat de regelgeving complex is of dat onduidelijkheid bestaat over de status van percelen, ontslaat de ondernemer niet van deze verantwoordelijkheid. Wel werd de boete enigszins gematigd vanwege overschrijding van de redelijke termijn en een herbeoordeling van enkele percelen.

De uitspraak maakt duidelijk dat het begrip beschikkingsmacht strikt wordt uitgelegd. Alleen wanneer een ondernemer daadwerkelijk de volledige zeggenschap heeft over het agrarisch gebruik van de grond, mag deze worden meegenomen in de mestplaatsingsruimte. Twijfelgevallen werken in de praktijk vaak in het nadeel van de ondernemer..

De uitspraak onderstreept het belang van een zorgvuldige beoordeling van percelen binnen de bedrijfsvoering. Agrarische ondernemers doen er verstandig aan om niet alleen administratief, maar ook juridisch te borgen dat zij over voldoende beschikkingsmacht beschikken. Zorg voor duidelijke schriftelijke overeenkomsten en verifieer dat u daadwerkelijk de feitelijke zeggenschap heeft over het gebruik en de bemesting van de grond. Bij twijfel is het raadzaam om tijdig advies in te winnen, zodat kostbare correcties en boetes kunnen worden voorkomen.

Lees hier de volledige uitspraak.