De recente golf aan afkeuringen van eco-activiteiten binnen het GLB is niet alleen een uitvoeringsprobleem, maar ontwikkelt zich in rap tempo tot een juridisch vraagstuk van formaat. Waar de regeling bedoeld is als stimulans voor verduurzaming, zien we in de praktijk een systeem dat juridisch kwetsbaar is en ondernemers in een structureel nadelige bewijspositie plaatst. Voor veel bedrijven komt de afwijzing als een verrassing – vaak pas zeer ruim ná afloop van het kalenderjaar. Daarmee wordt de facto een subsidie achteraf ingetrokken, zonder reële mogelijkheid tot herstel. Dat wringt, niet alleen praktisch, maar ook bestuursrechtelijk.

Resultaatverplichting versus rechtszekerheid

De eco-regeling is ingericht als een resultaatgerichte subsidie. In theorie prima en zeker verdedigbaar, maar in de huidige vorm schuurt dit met het rechtszekerheidsbeginsel. Ondernemers baseren hun bedrijfsvoering op vooraf kenbare voorwaarden, maar worden afgerekend op uitkomsten die mede afhankelijk zijn van externe factoren zoals weer, bodemgesteldheid en interpretatie van satellietbeelden. Een perceel dat “net niet” voldoet, leidt tot volledige afkeuring van de activiteit. In veel gevallen heeft dat direct gevolgen voor het behalen van de instapdrempel, met als gevolg het volledig wegvallen van de eco-premie. Dit alles zonder dat sprake is van opzet of nalatigheid aan de zijde van de ondernemer.De vraag dringt zich op of deze systematiek nog in verhouding staat tot het doel van de regeling.

Bewijspositie: ondernemer structureel op achterstand

De controle via het Areaal Monitoring Systeem (AMS) legt de feitelijke bewijslast bij de ondernemer. De overheid baseert zich op digitale waarnemingen, terwijl de ondernemer achteraf moet aantonen dat de feitelijke situatie anders was.

Dat is problematisch. In bezwaarprocedures zien we nu al dat:

  • satellietdata niet altijd overeenkomt met de werkelijkheid op het perceel
  • interpretaties van beelden discutabel zijn;
  • ruimte voor tegenbewijs beperkt is, zeker achteraf.

Dit raakt direct aan het beginsel van “fair play” en een zorgvuldige besluitvorming. Als de overheid kiest voor geautomatiseerde controle, mag verwacht worden dat ook de correctiemogelijkheden robuust en toegankelijk zijn. Daar schort het nu aan.

Handhaving zonder herstelmogelijkheid

Een fundamenteel punt is het ontbreken van herstelmogelijkheden. Bij veel subsidieregelingen bestaat ruimte om gebreken te herstellen of aan te vullen. Binnen de eco-regeling ontbreekt die ruimte feitelijk: de beoordeling vindt plaats achteraf en is binair (voldoet / voldoet niet). Dat maakt de regeling juridisch hard en weinig proportioneel. Zeker in situaties waarin een marginale afwijking leidt tot volledige financiële uitsluiting.

Gelet op de financiële impact en de hierboven geschetste juridische knelpunten, is het aannemelijk dat het aantal bezwaar- en beroepsprocedures aanzienlijk zal toenemen. Daarbij zullen met name de volgende lijnen relevant worden:

  • de motiveringsplicht van afwijzingsbesluiten (met name bij AMS-gebaseerde conclusies);
  • de vraag in hoeverre tegenbewijs effectief kan worden geleverd;
  • de proportionaliteit van volledige afkeuring bij beperkte afwijkingen;
  • mogelijke strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Voor adviseurs en ondernemers betekent dit dat dossiervorming cruciaal wordt. Denk aan:

  • vastlegging van feitelijke situatie (foto’s, logboeken, teeltregistraties);
  • documentatie van uitgevoerde maatregelen;
  • tijdige signalering van afwijkingen tijdens het seizoen.

Conclusie: systeem vraagt om correctie, niet om meer controle

De huidige uitvoeringspraktijk van de eco-regeling legt de risico’s eenzijdig bij de ondernemer, terwijl de beoordelingssystematiek juist onzekerheden introduceert. Dat is geen houdbaar evenwicht. Zonder aanpassing – met meer ruimte voor herstel, betere borging van tegenbewijs en een minder rigide toepassing van resultaatcriteria – dreigt de regeling juridisch vast te lopen. De eerste contouren daarvan zijn nu al zichtbaar.

Wordt u geconfronteerd met een (gedeeltelijke) afkeuring van eco-activiteiten? Wacht dan niet af. De ervaring leert dat juist in deze dossiers de onderbouwing van RVO niet altijd standhoudt. Laat tijdig toetsen of het besluit juridisch houdbaar is en welke mogelijkheden er zijn in bezwaar of beroep. In veel gevallen is er meer ruimte dan op het eerste gezicht lijkt – mits u die benut.